Spirituelehuiskamer.jouwweb.be

Liedjes die ze me leerde

Ik krijg zoveel mooie tekens van haar. Het doet me heel veel te weten dat ze "er nog is"

al kan ik haar niet meer vastnemen, of rechtstreeks met haar praten, door zoveel tekens

laat ze me inzien dat alles goed is met haar - nu!

Ik vroeg vorige vrijdag 30/9/2011 een teken en 10 min later hoorde ik op de radio het volgende liedje

Een smidje in z'n smidse
Die zong den helen dag
Z'n stemmetje klonk zo helder
Bij iedere hamerslag

Hij zong zo blij van tok tok tok
Hij zong zo blij van klop klop klop
Hij zong zo lustig dan
't Liedje van de zwarte man

Het is zo raar - waar ik was die dag-  zet men nooit de radio aan.

En zo'n liedje hoor je toch niet vaak hé.

Wel die dag wel. Ik had kunnen huilen van geluk. Het was één van de zovele liedjes die ze me leerde

en we hebben dit zo dikwijls samen gezongen.

Buiten de liedjes krijg ik nog zoveel mooie tekens, maar de liedjes die allemaal in mijn hoofd komen die ze me leerde, ga ik wel hier neerpennen, uit liefde voor haar.

Liedjes die ze steeds zong voor ons of gedichtjes die ze me leerde

Hemelhuis

Door mijn woning
speelt een zonnig licht.
'k Voel me een kleinen koning
in mijn groten plicht:
vrouw en kind te schragen
op mijn sterke jeugd;
en ze hoog te dragen
in mijn vreugd !

Daar, op 't schouwke,
prijkt mijn enig kruis.
Wees mijn engel, vrouwke,
wees mijn hemel, huis.
Wees mijn stoutste roemen,
wees mijn zoetste troost,
frisse levensbloemen,
krachtig kroost.

O, mijn kindren !
Graaggebroken brood !
Zou 't geluk vermind'ren
waar de last vergroot ?
Zou men armoe lijden
om een mondje meer ?
Och, waar mensen strijden,
helpt de Heer !

 

 

Als d'avond daalt, de dag verdwijnt, het zonnetje slapen gaat

De stilte van de nacht verschijnt en 't klokje weinig slaat

Dan is weer het uur gekomen

De tijd om van liefde te dromen

Dan wordt weer het lied van de sterren gehoord

Een lied dat ons allen bekoort

Als sterren flonk'rend aan de hemel staan

En 't maantje schijnt met gulle lach

Is heel de natuur in 't nachtelijk uur slechts liefde

Hecht niemand op aarde enige waarde aan de dag

Men ziet slechts sterren flonk'rend aan de hemel staan

En ov'ral klinkt hetzelfde lied

Dan hoort men heel zacht: "Wel t'rusten, goenacht

Nog even een kus voor 't slapen gaan"

Als sterren flonk'rend aan de hemel staan

 

 

 

HET SCHRIJVERKE

(Gyrinus Natans)

O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"

Guido Gezelle

Des winters als het regent
dan zijn de paadjes diep, ja diep.
Dan komt dat loze vissertje
al vissen in dat riet, ja riet.

Met zijne rijfstok, met zijne strijkstok,
met zijne lapzak, met zijne knapzak,
met zijne lere, van dirre dom dere,
met zijne lere laarsjes aan,
met zijne lere, van dirre dom dere,
met zijne lere laarsjes aan.

Dat loze molenarinnetje
ging in haar deurtje staan, ja staan,
omdat dat aardig vissertje
voorbij haar henen zou gaan, ja gaan.

"Wat heb ik jou misdreven,
wat heb ik jou misdaan, ja daan;
en dat ik niet met vreden,
voorbij jouw deurtje mag gaan, ja gaan.

"Gij hebt mij niets misdreven,
gij hebt mij niets misdaan, ja daan;
gij moet mij driemaal zoenen,
eer gij van hier moogt gaan, ja gaan.

 

't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan

Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom één hoofd, dat eenzaam was...;

Dan voel ik op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen...
't Is goed in 't eigen hert te kijken
En zó z'n ogen toe te doen.

Alice Nahon